15-09-05
KLASSIEKER: Suicide / 23 Minutes over Brussels (Suicide, 1977)

1978… De dagen van de punk zijn geteld, maar daar ligt geen kat echt van wakker. Aan beide kanten van de grote plas zit men immers niet verlegen om nieuwe, boeiende acts om de fakkel over te nemen van het kortstondige modeverschijnsel. De legendarische New Yorkse club CBGB’s spuit nog steeds nieuwe groepjes als een vulkaan lava, en is het startpunt voor acts als The Ramones, Johnny Thunder & The Heartbreakers, Richard Hell & The Voivods, Talking Heads en Blondie. Zij zijn de rechtstreekse erfgenamen van Patti Smith, The New York Dolls en Television, die er op hun beurt al sinds het begin van de jaren ’70 (en in het zog van Velvet Underground, MC5 en Iggy & The Stooges) geen doekjes om winden dat (over)leven in een grootstad bepaald geen sinecure is.
In Groot-Brittannië zien punkbands van het eerste uur zich genoodzaakt hun muzikale koers bij te stellen. In de meeste gevallen lukt dit ook, en groepen als The Clash en The Stranglers ontwikkelen een ‘conventioneler’ geluid dat de kwaliteit van hun songs alleszins ten goede komt. Tegelijk steken enkele jonge, veelbelovende singer-songwriters de neus aan het venster. Eén van hen is Elvis Costello, die in ’78 met zijn tweede plaat ‘This Year’s Model’ al het goede bevestigt van debuutelpee ‘My Aim Is True’. In datzelfde jaar brengt een tournee hem onder andere naar de oude Ancienne Belgique.
Een gedenkwaardig concert wordt het niet, want een nijdige Costello houdt het extra kort en bondig en verdwijnt na het volbrengen van zijn contractuele verplichtingen al gauw weer in de coulissen. Wat is er gebeurd? Viel hem een kil onthaal te beurt? Was er te veel rumoer in de zaal tijdens het optreden? Heeft iemand hem toegeroepen dat hij met zijn uilenbril sprekend (en zingend) op de jonge koning Boudewijn lijkt? Niks van dat alles. Costello is pissed off omwille van de behandeling die zijn voorprogramma kreeg, het New Yorkse Suicide…
Suicide
De artiesten die ooit verklaarden te zijn beïnvloed door Suicide zijn allang niet meer op één hand te tellen. Soft Cell, Joy Division, Jesus and Mary Chain, Frank Tovey, Depeche Mode, Sisters of Mercy, Henry Rollins... Het zijn er maar enkelen (de bekendste dan nog) die hun liefde voor het excentrieke duo nooit onder stoelen of banken staken. Zo goed als de hele new wave en industrial scene, allemaal zijn ze schatplichtig aan het New Yorkse tweespan. Maar ook vandaag nog de invloed van Suicide overduidelijk hoorbaar in het werk van (om het dichter bij huis te zoeken) onze Nid & Sancy en ruikt de sound van het Nederlandse zZz nog geen klein beetje naar Suicide. Elke track van de titelloze debuutplaat uit 1977 dook sindsdien in één of andere vorm op in het oeuvre van andere artiesten, sterker nog, sommige bands lijken de plaat wel te hebben gebruikt als blauwdruk voor hun héle oeuvre. Suicide speelde in de ontwikkeling van de elektronische muziek dan ook een minstens even belangrijke rol als hun Duitse generatiegenoten van Kraftwerk.
Suicide ontstaat eerder toevallig in 1971. Beeldhouwer Alan Vega (geboren in Brooklyn als Alan Bermowitz) en Martin Rev (Bronx, Martin Reverby) ontmoeten elkaar in het New Yorkse kunstenaarsmilieu. Vega organiseert samen met enkele bevriende artiesten een vierentwintig durende exhibitie in een galerij. Eén van de bands die zorgen voor de ‘muzikale omlijsting’ is de free jazzgroep Reverend B van pianist Marty Rev, een zachtaardige kruising van Lou Reed en Guido Belcanto en meestal een buitenmaatse skibril draagt. De twee worden vrienden en Rev – op dat moment meer zonder adres dan wat anders – verblijft geregeld in het atelier waar Vega en konsoorten hun artistieke ei kwijt kunnen. Eén van die ‘eieren’ is een muzikaal project van Vega met een andere visuele artiest, een zekere Paul, die ‘enige notie’ heeft van gitaarspelen. Samen maken ze rudimentaire geluidscollages, eind 1970 zal Rev zich bij het tweetal voegen als ‘drummer’.
Voor Vega blijft muziek maken in de eerste plaats pure fun, bijzaak, want alle aandacht gaat nog steeds uit naar het beeldhouwen. Vega en Rev (Paul "Whatsisname" heeft de groep al gauw verlaten) treden af en toe op in kunstgalerijen, maar de stap naar het pop- en rockwereldje wordt nog niet gezet. De creaties van Suicide zijn op dat moment dan ook nauwelijks het aanhoren waard en zeker niet geschikt voor publicatie. Vanaf 1975 gaan Vega en Rev iets bedachtzamer te werk. Met de pas op de kop getikte ritmemachine, een aftands orgel en een tweesporenbandopnemer worden in een New Yorkse kelder de eerste probeersels opgenomen. De klankkwaliteit van de opnames is abominabel, de songs minimalistisch, monotoon en bevreemdend, met een Vega die klinkt alsof hij zijn zinnen vanuit het graf (of al naargelang de appreciatie van de luisteraar, met een emmer over zijn hoofd) debiteert over de kale beats van Rev. (De demo’s werden in 1999 als ‘The First Rehearsal Tapes’ uitgebracht met de re-issue van de tweede Suicide-elpee.) Een platendeal zit er niet meteen in, wel mogen ze geregeld optreden in CBGB’s.
‘Suicide’
Muzikaal gezien heeft de groep een grote sprong voorwaarts gemaakt, wanneer in 1977 aan de eerste, titelloze plaat wordt gewerkt. In essentie is er niet zo heel veel veranderd, dezelfde ingrediënten van de 1975-tapes zijn nog aanwezig, maar alles klinkt een tikkeltje uitgekiender en er werd minder aan het toeval en aan improvisatie over gelaten. ‘Suicide’ klinkt voor die tijd ook behoorlijk vernieuwend, en daar was de wereld duidelijk nog niet klaar voor. De sound is ongepolijst, en wordt gestut door de repetitieve, bezwerende beats die Rev uit de ritmemachine haalt. Daaroverheen bezorgt een monotone, synthetische baslijn Alan Vega de nodige houvast om zijn verhalen over het rauwe leven in New York City, zijn persiflages op bestaande genres uit de popgeschiedenis of zijn maatschappijkritiek met spooky stem te zingen, te declameren of letterlijk uit te schreeuwen. Een ander wezenlijk bestanddeel van het Suicide-geluid zijn de vaak onorthodoxe, rudimentaire orgel- en synthesizerlijnen van Marty Rev, die het geheel een extra bezwerend/opzwepend effect te geven. De constante ruis op de opnames geeft je het gevoel geeft tegen een heuse wall of sound aan te botsen. Naar verluidt werd de hele plaat op een goeie drie uur tijd ingeblikt.
De plaat opent met het uptempo ‘Ghost Rider’ en met ‘Rocket USA’, twee nummers die Suicide het etiket ‘elektropunk’ zal opleveren, al had het duo op de Do It Yourself-mentaliteit na niet zo heel veel uitstaans met het nihilisme van de punk. (Vega was trouwens niet echt op de etiketten ‘punk’ of zelfs maar ‘avantgarde’, voor hem is Suicide gewoon New York City Blues.) Van een heel andere orde zijn ‘Cheree’ en ‘Girl’. ‘Cheree’ is een haast kinderlijke, aandoenlijke ballad, met serieus overstuurde synths en een hijgerige Vega. In ‘Girl’, gedragen door een monotone baslijn en dito ritme, horen we dan weer een smachtende Vega met een broek vol goesting optornen tegen een Doors-achtig orgel. Tussen deze twee tracks zit ‘Johnny’, de Suicide-versie van de rock ‘n’ roll uit de jaren ’50.
‘Frankie Teardrop’ is de meest ijzingwekkende en bloedstollende song, één waarbij ‘The End’ van The Doors klinkt als een melig kerstliedje. In tien minuten en vierentwintig seconden wordt het verhaal verteld van de 20-jarige fabrieksarbeider Frankie Teardrop, die leeft in bittere armoede, vrouw en kinderen ombrengt en vervolgens de hand aan zichzelf slaat. Een track die zich niet in woorden laat vatten, maar die je noodgedwongen ondergaat. Hierna volgt ‘Che,’ een treurmars waar zoveel dreiging vanuit gaat dat je alleen maar kunt hopen dat de begrafenisondernemer de kist wel goed heeft afgesloten.
(Noot: dit zijn de zeven nummers die op de eerste uitgave van ‘Suicide’ stonden, zoals die verscheen in 1977. Later verschenen er andere edities, waarop de ‘magnificent seven’ werden aangevuld met livetracks of - zoals in de meeste gevallen - een remix-versie van ‘Cheree’, het prachtige elektropopnummer ‘Keep Your Dreams’ of het beklemmende ‘I Remember’.)
’23 Minutes over Brussels’
Een ander verhaal zijn de podiumverrichtingen van Suicide. Martin Rev verklaarde ooit dat hij zich genoodzaakt zag zijn keyboards te leren bespelen met één hand, zodat hij de andere hand vrij had om alle projectielen af te weren waarmee het tweetal werd bekogeld. Niet zelden liepen optredens (performances is een beter woord) van Suicide inderdaad uit op rellen. Met haar voor die tijd ongewone line up was Suicide in ieder geval een vreemde eend in de bijt; maar ook de attitude van Vega en Rev was niet van die aard dat de groep hele massa’s voor zich wist te winnen. Voor heel wat rockfans waren optredens toen nog synoniem voor een avondje dolle pret, maar zij kwamen bedrogen uit toen Suicide ten tonele verscheen. ‘If you think you’re getting entertained by us, forget about it! You are coming off the street to come into the street,’ was het devies.
Toen Suicide zich buiten de clubs en de galerijen waagde en de voorprogramma’s mocht doen voor bands als The Cars, The Clash en Elvis Costello & The Attractions, lukte het hen nauwelijks een optreden helemaal af te werken. Rellen waren eerder regel dan uitzondering, en de groep had gerust voltijds een boekhouder kunnen aanwerven om de troep te inventariseren die door de jaren heen naar hun hoofd werd geslingerd. Dat ging van schoenen over drekstoffen naar een echte bijl…
In onze eerste paragraaf hadden we het over de doortocht van Vega en Rev in Brussel, op 16 juni 1978. Wie vandaag de heruitgave koopt van de eerste plaat van Suicide, krijgt er behalve twee bonustracks ook nog een tweede cd bij met live-opnames: zes nummers die werden opgenomen in de CBGB’s, plus een registratie van het legendarische ‘concert’ in Brussel: ‘23 Minutes Over Brussels’.
De opname begint grappig: we horen nog hoe de omroeper van dienst in twee talen de concertkalender van de AB voorleest (de 24ste: Gerry Rafferty!!!) en de aanwezigen wijst op het rookverbod in de zaal. Suicide wordt aanvankelijk nog onthaald op gejuich, maar dat verstomt al gauw na de eerste tonen van ‘Ghostrider’. Een luid boegeroep stijgt op wanneer het eerste nummer erop zit, wat Howard Thompson (een vriend van de groep die het concert opneemt) doet opmerken dat ‘It’s gonna be a hard night’. ‘Rocket USA’ wordt bij momenten zelfs overstemd door het geschreeuw vanuit het publiek. Maar ook Vega doet graag zijn duit in het zakje. Wanneer de aanwezigen na ‘Rocket USA’ luidkeels ‘EL-VIS! EL-VIS’ beginnen te scanderen riposteert hij eerst met een droog ‘Luv ya’, om vervolgens de lamzakken die met hun luie kont op de grond zitten verrot te schelden.
Na ‘Cheree’ weet hij niet beter dan de zaal nog wat te jennen en uit te lachen omwille van het rookverbod. Na de vierde song loopt het helemaal uit de hand. Vega krijgt nog net de kans om ‘Frankie Teardrop’ aan te kondigen, maar dan bestijgen enkele skinheads het podium die de microfoon uit zijn handen grissen. ‘Bol het af!’ roept één van hen, waarna gejuich opklinkt, als bij een belangrijk doelpunt in een voetbalwedstrijd. Weer wordt de naam van Costello gescandeerd, tot even later iemand (Rev?) beleefd vraagt of iemand de microfoon wil teruggeven, ‘otherwise there is no show!’ (Op de opnames hoor je ook duidelijk hoe een gezonde, Vlaamsche jongen in het publiek alles wat er op het podium gebeurt netjes vertaalt voor zijn vrienden: ‘Z’emme de micro gepikt! Ze willen ‘em t’rug, anders is er gene show!’ Hilarisch!)
Nog één keer slaagt Vega er in het woord te richten tot de aanwezigen, waarschijnlijk met een geleende microfoon. Na vier regeltjes ‘Frankie Teardrop’ houdt hij het echter voor bekeken, en verlaat hij onder luid gejuich en met een welgemeend ‘Shut the fuck up! This is about Frankie!’ het podium.
Na Suicide was er Costello, die het zoals we al zeiden erg kort hield. Na het concert braken er weer rellen los en diende de politie zelfs tussenbeide te komen…
Ook al gingen Rev en Vega nooit uit elkaar, de band is ondanks een erg onregelmatige carrière en de vaak erg lange onderbrekingen blijven bestaan. In 2002 verscheen het voorlopig laatste album van Suicide, ‘American Supreme’, geïnspireerd door de gebeurtenissen van 11 september en de gevolgen hiervan op het Amerikaanse (culturele) leven. Op zondag 27 april 2003 speelde het duo in Hof ter Lo, in Antwerpen. Tot rellen kwam het deze keer niet, maar jammer genoeg konden we ook deze keer niet spreken van een onverdeeld succes. Het gros van de songs was afkomstig van ‘American Supreme’, het gedeelte classics beperkte zich tot ‘Ghost Rider’ en ‘Suffering in Vain’ uit het album ‘A Way of Life’ (1988). Het optreden duurde amper drie kwartier (weliswaar een verbetering van hun vorige besttijd, in Brussel), maar miste jammer genoeg elke bezieling.
Ook het publiek was heel anders dan in 1978. Slechts één aanwezige begon met bekers pils naar het podium te gooien. Een nazaat van de skinheads uit ’78? Nope, gewoon een ontevreden klant die zich bedrogen voelde door zijn idolen en zijn geld terug wou…
Red Star/ Bronze Records, 1977.
Blast First / Mute Records, 1998 (re-issue)
13:09 Gepost door Markus N. | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |
Facebook |




Post een commentaar